Good news. In a comment on my last blog, by Don MacEachern, I learned that Sean must have visited Islay and stayed there in 1962 or 1963, earlier than I >>>

Magnus is mager en langer dan zijn leeftijdgenoten. Het valt op want hij zit nog op de lagere school. Hij heeft het blonde haar van zijn vader. Het is sluik maar dicht en stevig. Hij heeft zijn moeders donkerbruine ogen die mooi en zachtaardig zijn als hij afwezig staart, maar beangstigend doordringend als hij jou aankijkt. Maar hij kijkt jou niet zo vaak aan. Wie hem voor het eerst zou zien, hier op het strand bijvoorbeeld, die zou ook zijn manier van lopen eigenaardig vinden. Hij slingert, stopt, slingert door en lijkt voortdurend naar iets te luisteren. Je voelt dat hij niet op jouw groet zou reageren en je voelt het goed. Dit is niet het moment om hem te storen. Dit is zijn strand.
Hij loopt met zijn handen tegen zijn oren gedrukt. Zijn voeten lijken ouder dan hij, want zij weten alles eerder en zij sturen verhalen naar boven die hem aan het denken zetten. De zolen tasten de ribbels van de vloedlijn af en sturen naar het vochtige, drabbige zand erachter dat zich om de enkels sluit als een koele natte mond. Hij sluit zijn ogen en laat zijn voeten verder zoeken en voelt het droger wordende losse zand tussen de tenen opwellen. Warmer zand, zijdezacht en glad, weerstand van fluweel, je komt er nauwelijks in vooruit. Zacht, warm en ongrijpbaar vloeit het over zijn voeten. Hij glimlacht even. Hier is geen dreiging, geen verleiding, alleen de droge warmte onder zijn voetzolen en tussen zijn tenen.
Zijn voeten willen vertellen waarom ze van het land houden. Zij zeggen dat het land dichter bij hem staat, hard en tastbaar. Klei, turf, akkeraarde, grassen, mossen, kruidige heide, kiezels, stenen, gladde warme rotsen. Aanwezig, jouw gewicht trotserend, draagt het jou. Vastheid.
Het is stil en Magnus wil dat het zo blijft. Hij haalt even zijn handen van zijn oren en bedekt ze onmiddellijk weer op het moment dat er een verleidelijk ritme binnen wil dringen. Nog even niet, denkt hij, laat het wachten. Hij wil naar de stilte luisteren en hij vraagt zijn voeten om stilte. Zij gehoorzamen en onderbreken hun verhaal over miljarden kleine oeroude korrels, de nazaten van grote trotse keien, vermalen door de tijd. Dat zegt zijn vader. En de zee...
Nee, stil.
Stil.
Stil staan.
Geen beweging. Even helemaal niets, niet bestaan.
De zekerheid van niet bestaan.
Rust.
Maar als je stil staat, val je om.
In zijn stille wereld is vaak beweging. Daar draait alles om zijn as. Dan is alles in een kwetsbare balans en die balans mag niet verstoord worden. Daarom moet je draaien, moet alles draaien. Iemand had hem verteld - en dat was hem vanaf dat moment bijgebleven - dat alles en iedereen de ruimte in geslingerd zou worden als de aarde zou ophouden met draaien. Draaien was goed.
Die speciale stilte waarin hij zich kon terugtrekken; als alles draaide kon er niemand meer binnen dringen, geen stemmen, geen schimmen, geen verwarring. Alleen de hoge, ijle, aanhoudende toon die bij de draaiende voorwerpen hoorde. Alsof een koorknaapje eindeloos de hoogste F van de piano zong. Die toon hoorde bij die stilte.
Zijn voeten vertellen hem dat er een windvlaag opsteekt die het zand over zijn wreven blaast en zijn voeten langzaam ermee bedekt. Hij opent zijn ogen en kijkt voor zich uit. Zijn linkeroog ziet de zee, zijn rechteroog het land, zijn neus scheidt het land van de zee. Zijn linker neusvleugel neemt de zilte lucht waar, zijn rechter grasdroge, kruidige geuren. Hij haalt de handen van zijn oren.
Magnus wandelt langs het strand, aan de rand van land en water. Hij hoort het roepen van het water. Het land is stil. Een oor hoort, het andere is doof. Het water verleidt hem met zijn ritmische slag. Ritme geeft ook rust. In de verte hoort hij nu het donderende brullen van de verre branding. Hij kijkt naar links.
Een vaalgele, gesluierde en toch felle lucht met staalgrijze krassen en dunne witte rookslierten. Een eiland van licht in de verte waar de zon door de sluier heen breekt. De hoge deining met schuimranden, ver uit de kust, trekt een onrustige horizon. Meeuwen die met roerloze vleugels op de wegstervende wind boven de duinen zweefvliegen. Af en toe een kwakje lozend met een sierlijk schuddende, achteloze beweging. Scholeksters doen met hun hoofd omlaag op hun rode stelten tussensprintjes om daarna even op te vliegen. Een kleine groep zwanen zwoegt met zingende vleugels in een volmaakte V-formatie voorbij.
Het eiland van licht breidt zich uit, met een laatste krachtsinspanning inhaleert de zon de vale sluier en onthult een bleekblauwe lucht. De strandlopers, scholeksters en meeuwen vormen kleine groepen aan het strand. Het wordt druk langs de vloedlijn, nu de mensen vertrokken zijn.
Hij sluit weer zijn ogen en laat zijn voeten leiden. 'Ritme geeft ook rust', zeggen ze en hij voelt dat zij dichter bij het water komen en even later voelt hij het lauwe ondiepe nat om zijn voeten spoelen. Even zacht als de zandkorrels die de wind over zijn wreven had geblazen. Zijn voeten fluisteren alleen nog maar over de korte momenten waarop zijn zolen de grond raken, maar zij hebben geen boodschap meer.
De zee, met de stemmen van de omslaande golven aan het strand, zingt hem toe, een verleidelijk, ruisend, ritmisch lied. Het lokt, het lokt hem terug. Het land zwijgt nu even, of wordt zijn geluid overspoeld door de zee? Je moet niet zo dicht bij het water lopen, jongen. Maar hij volgt zijn bedwelmde voeten en loopt verder de zee in. Voor nu heeft hij zijn keuze gemaakt, nu is dit zijn element en het omhelst zijn knieën.
Zijn voeten dragen hem dieper totdat de golven hem licht laten wankelen. Hij voelt zijn voeten los komen, steeds vaker en makkelijker, tot hij ze niet meer voelt en hij gewichtloos deint op de golven. Hij is een goede zwemmer. Op zijn rug zwevend kijkt hij omhoog naar de heldere avondhemel waarin hoog boven hem nog een paar meeuwen in de roze lucht hangen. Ik weeg niets meer, zingt het in zijn hoofd, ik ben geen last, ik ben van de zee. Ik heb het niet koud, ik heb het niet warm, ik draai in het rond, meer hoef ik niet. En draaiend met uitgestrekte armen, kijkt hij bij elke rondwenteling naar de rots op wiens gladde zonverwarmde huid hij straks gaat liggen om droog te worden.
Morgen gaat hij met zijn ouders naar Rome. Hij weet niets van die stad, zijn vader zegt dat zij bijzonder is. Het zou voor het eerst zijn dat hij met zijn ouders op een verre reis gaat. De dokter had gezegd dat het nu wel verantwoord was. De jongen weet dat ze hem een autist noemen. Hij knijpt zijn ogen dicht naar de ondergaande zon en draait zich om.
"Romeromerome", zingt hij zachtjes tijdens elke trage slag en zwemt met terug naar het stille strand. Hij ziet de silhouet van zijn moeder op de hoge duin.
Het interesseert hem niet. Hij verheugt zich op de warme rots.
© 2011 Peter Fruhmann
Reacties
Prachtige schets, je ruikt het zeewater.
Spreek je iemand aan (1e alinea), of bedoel je met 'jij' eigenlijk 'men'? Ik denk dat laatste, dan kun je beter 'je'ipv 'jij' en 'jouw' gebruiken.
Dat 'ze' hem autist noemen mag je weglaten, juist omdat je het zo mooi laat zien.
Ten slotte is niet duidelijk waarom hij dan weer voor het land, dan weer voor de zee kiest. Hetzelfde voor stilte en ritme.
Je stijl is zo poëtisch, dat je zou moeten overwegen om het hele verhaal in dichtvorm te schrijven, lees bijvoorbeeld eens 'De vlek' van Willem Jan Otten.
Benieuwd naar het vervolg!
hartelijke groet,
Caroline
Al die zintuigen en zulke mooie metaforen. Ik dacht dat het jongetje door de zee opgenomen zou worden. Nu heeft het een open einde en gek genoeg is dat meer onbevredigend voor mij dan dat het jongetje kiest voor de zee. Alles leek die kant op te gaan.Mag het niet zo eindigen? En komt er anders een vervolg. Las laatst over het uit zwang raken van een feuilleton. Volgens mij leent dit verhaal zich er goed voor. Hoe zal het in Rome gaan?
Groetjes Veronica
RSS lijst met reacties op dit artikel