Good news. In a comment on my last blog, by Don MacEachern, I learned that Sean must have visited Islay and stayed there in 1962 or 1963, earlier than I >>>

Hij was elf, een stadskind, en hij genoot van de lange zomer in de bergen. Elke dag zwerven met zijn vriendjes, stoere boerenzonen die alle paden door de bossen omhoog kenden. Hij leerde de namen van de omringende bergtoppen, hoe je kunstige ornamenten in hout kerfde en hoe je moest jagen op hagedissen. Zij hadden hem verteld dat ze hun staart opofferden als je ze te pakken kreeg, maar dat hij weer aangroeide. Niet zo mooi spits toelopend als de oude, maar toch. Een offer: vrijheid in ruil voor een verminking.
Hij kreeg zijn moment van triomf. Maar toen de hagedis haar staart had afgestaan, op de grond viel en vlug in een rotsspleet verdween, liet hij het lichaamsdeel meteen los. Zozeer ontbrak de sensatie van een overwinning. Het voelde meteen dood aan. Terwijl zijn vriendjes hem prezen, kon hij alleen maar het restje voor zijn voeten staren. Binnen een minuut had een zwerm vliegen zich daarop gestort. Hun inhalige zoemen had hem doen rillen.
Nu rolt hij moeizaam op zijn zij. Hij doet een poging om op zijn linkerarm te steunen. Een spitse kei boort zich in zijn handpalm. Traag draait hij zijn hoofd. Enkele meters verderop staat een korte, stoffige olijfboom. Vier uur geleden nog een pittoresk uitzicht, nu de belofte van schaduw. De brandende zon op zijn hoofd doet meer pijn dan het vuur van het gif in zijn lichaam.
Misselijkheid. Het geluid van de krekels en cicaden, eerst een Mediterraan zomerconcert, nu ordinair lawaai.
Zijn rugzak lijkt ver. Lichtjaren ver.
Op zijn vijftigste verjaardag had hij een sterrenkijker gekregen en op een nacht was het hem gelukt om Jupiter en de manen van Galileo in het vizier te krijgen. Opeens was hij miljoenen kilometers ver in de ruimte. Eenvoudig door zijn oog naar de lens te brengen. En nu, te zwak om enkele meters te overbruggen naar de rugzak en de fles met water. Hij wil zich oprichten, maar nu voelt het als een carrousel dat hem langs de olijfboom en zijn rugzak zwiept. Hij probeert hem te grijpen, maar de carrousel draait steeds sneller en hij wordt duizelig. Zeeziek. Hij moet braken en zwetend en hijgend valt hij op zijn rug en sluit zijn ogen.
Gisteren was hij aangekomen. Hij wilde deze ochtend maar even wandelen om weer te wennen aan het ritme van het landschap. De mobiele telefoon ligt nog op het nachtkastje in de hut in het dal.
Hij draait zich op zijn buik. Nu lukt het om naar de rugzak te kruipen en de fles eruit te wurmen. Niet drinken, alleen de gore smaak en de brokjes braaksel wegspoelen.
Hij brengt de fles naar de mond en de aanraking van tong en huig met het water doen hem kokhalzen. De fles valt uit zijn hand. Weer ligt hij op zijn rug. Hij ziet een zwarte zon koud omlaag kijken. Hoeveel uren al?
"Ik ben alleen." Een bange kinderstem in een galmende grot.
"Niet waar, je hebt toch vrienden?" antwoordt hij.
Weer dat stemmetje: "Maar ze zijn zo ver, zo lang geleden."
"Op een dag ben je bij ze."
Het was de inspanning niet waard. De stam van de olijfboom is hard in zijn rug, nauwelijks schaduw, te kleine bladeren. En nog steeds de onvermoeibare insecten. Het lijkt alsof de cicaden het van de krekels overnemen en vice versa. In de overgangsfase neemt het lawaai toe. Alleen het ritme is niet te voorspellen.
Is het echt over? Hij probeert zijn favoriete begrafenismuziek op te roepen maar de cicaden nemen over. "Ci-ci-ci, ci-ci-ci." Geen illusies meer.
Zijn oogleden voelen zwaar en hij kijkt naar de aanleiding van de pijn, op nog geen drie meter. De slang, een adder. Gebroken rug, haar hoofd verbrijzeld, de steen naast haar. Zij was bezig geweest warmte op te vangen na een koele nacht, te traag om tijdig weg te glijden, maar te snel voor hem. Idioot dat hij niet bij de beet in zijn kuit had kunnen komen om hem uit te zuigen, daarvoor was zijn rug te stijf. De kruiselingse snee met het mes en het uitdrukken hadden niet geholpen. Had hij het wel goed gedaan? Ach, wat zal het... de pijn maakt hem onverschillig. Nu voelt hij brandende plekken onder zijn huid bewegen. Het zweet breekt hem uit en hij laat zich omlaag glijden om zijn hoofd tussen de wortels van de boom te kunnen leggen.
Geritsel.
Een hagedis nadert zijn hoofd, snelle stapjes, het geluid zwelt aan, alsof blote voeten op natte stenen kletsen. Dan dat abrupte stoppen. Die fascinerende hardheid van die motoriek, dat onverzettelijke van de afgekapte beweging. Niet even soepel nawiegen of in fasen stoppen als een zoogdier, nee, tot hier en niet verder. Tsjak! Freeze frame!
Het diertje stopt vlak voor zijn gezicht, vonkelend in de zon, de kleine gele ogen scannen onaangedaan de omgeving. Geen oogcontact, alleen een tastende, proevende tong. Een gave staart die gaaf zou blijven. De man heeft geen zin meer in een krachtmeting. De triomf van de hagedis, de manifestatie van de overlevingswil van de reptielen, de oudere, stillere soort. De kracht van het kunnen wachten. Het reptiel zou leven, het zoogdier sterven.
Hij knippert met zijn ogen en de hagedis is verdwenen.
Heeft hij dit onbewust gewild? Hij had zich altijd een grote finale voorgesteld in een van zijn geliefde, wilde landschappen. Maar nu, geen vriendelijke droomdood tijdens het mooiste moment. Jammer. En toch...
Tijd wordt nu relatief. 'Eeuwigheid', denkt hij, 'is buiten de tijd. Tijd is een construct, net als ik.
Ik bestond dankzij een omgeving die mij opmerkte, die op mij reageerde en die mij beschreef. Die omgeving verdwijnt nu, dus ik ook. Niet verheffend, maar het voelt natuurlijk.'
Hij wordt zo moe. "Ci-ci-ci, ci-ci-ci", zingen de cicaden. Zijn beste vriend was aan kanker gestorven, drie jaar vechten, pijnlijk en langzaam. Het komt opeens in hem op. 'Ik bof', mompelt hij.
Windstil. Geen briesje, geen stemmen meer, nooit meer avontuur. Opeens de wee geur van hyacinten. God? Zijn adem? Te dichtbij.
Misselijkmakend.
De zwarte zon wordt groter en groter en daalt op hem neer.